Columns! Verwondering over het nieuws en alledaagse kwesties

Typisch Hollands

Een opstel moest er komen van de hand van zoon nummer 2 met als thema “een typisch iets van je eigen land”. Mijn geest begon al te dwalen. Zoon was 5 jaar oud toen hij het lieve Vaderlandje verliet, wat herinnerde hij zich nog van die vroege jaren? Oh zeker, ik had hem in het kielzog van zijn stokoude overgrootvader meegenomen naar het Keukenhof en de herinnering aan die uitjes had ik warm gehouden door af en toe de foto’s van alle bloemenpracht tevoorschijn te halen. Alleen begon zoon dan altijd over de vrouw met de roofvogel op haar arm die naast kasteel Keukenhof het leven uit vroegere tijden stond uit te beelden. Dit kan overigens nog weleens voor merkwaardige opstellen voor Geschiedenis zorgen…alsof men in de 17e eeuw de hele dag met uitgestoken arm op een vogel stond te wachten. In ieder geval kwam het woord tulp of narcis in niet in mijn zoons herinneringen voor.

Misschien dat hij iets over Koninginnedag kon schrijven? Inmiddels is die dag weliswaar omgedoopt tot Koningsdag maar de traditie van je kind op een kleedje neervleien temidden van huiselijke rommel is nog springlevend. Het enige is dat het beste kind vooral herinneringen heeft aan zijn paar eurocenten tellen en als ik het gesprek op het koningshuis breng, blijft hij – met dank aan Sander Lucky van der Pavert – steken in een vrij nauwgezette imitatie van Maxíma. Een talent dat misschien beter tot zijn recht komt als er nog een glansrol te verdelen valt voor een musical, maar hem weinig verder behulpzaam bleek bij deze schrijfopdracht.

Sinterklaas dan! Veel Hollandser kan je het toch niet krijgen, ware het niet dat het wel een onderwerp is waar je zeer mee moet oppassen in den vreemde. Dat laatste was nog niet eens zozeer de reden dat ik die ouwe baas niet als mogelijk onderwerp opperde. Nee, de reden van mijn zwijgzaamheid over de pepernoot&present-pret was, omdat ik me met een schok realiseerde dat in alle emigratie-drukte van de afgelopen drie jaar er een miniscule kans bestond dat ik vergeten was zoon officieel mee te delen dat de Sint niet bestond! Daar mag u van vinden wat u wilt, maar we kunnen het toch wel eens worden dat gebogen over zijn opstel niet het meest geschikte moment was om zijn kinderzieltje hiermee te vermoeien.

Met een zucht van opluchting zag ik vanuit mijn ooghoek dat zoonlief de voortvarende genen van zijn vader had geërfd en al ingespannen zat te schrijven terwijl ik – zoals wel vaker het geval – bleef steken in een eindeloze denksessie. Terwijl mijn jong schreef over een middag in de speeltuin waar hij de laatste keer toen we in Nederland waren, zich kostelijk had vermaakt, hield ik me in om niet te zeggen dat speeltuinen een vrij universeel verschijnsel zijn en niet echt typisch Hollands. Wijselijk hield ik mijn mond over de oerhollandse wip-kip want dit opstel moest in het Engels en nu is mijn Engels best aardig maar er zijn grenzen aan mijn vocabulair. De wip-kip is zo’n grens. In plaats van de wip-kip wilde zoon uitgebreid beschrijven hoe hij heerlijk had gezweefd aan zo’n haak waar je vanaf een verhoging opklimt, je benen om heen slaat en dan naar de verhoging een paar meter verderop glijdt langs een kabel. U weet wel, dat ding waarvoor ik nog niet eens het Nederlandse woord ken, laat staan de Engelse vertaling. Het weeïge gevoel in je buik dat je voelt als je op zo’n haak vliegt, kreeg ik nu bij de gedachte dat er nog steeds niet iets typisch Hollands in zijn opstel stond. En ja, ik weet dat moeders taak betreffende huiswerk vooral een terughoudende is maar ter eigen verdediging voer ik hier aan dat het ging om een eerste (!) opstel op zijn nieuwe (!) school en – toegegeven – ik toch wilde dat zoon “would come good out the bus”. De vraag hoe ik nog een Hollandse draai aan zijn opstel kon geven werd onderbroken door de uitroep van zoon dat hij klaar was. Ik las zijn laatste zinnen: ‘Do you want to know why this is special? Because I went to the playground with my grandma. She lives in Holland and there is only one grandma like her.

Zorgen

Fijn hè dat de zorg voor mevrouw Van Rijn verbeterd is zoals in de krant te lezen viel? Met zijn oproep over de slechte kwaliteit van de zorg voor zijn vrouw sloeg meneer Van Rijn een verbale arm om haar heen en tegelijkertijd deelde hij met diezelfde arm een kaakstoot uit aan zijn zoon die staatssecretaris van Volksgezondheid is. Zou mevrouw Van Rijn zich nog bewust zijn dat haar man haar beschermengel, vinger aan de pols en waakhond in één is of is ze te veel in de war?

Ik vraag me weleens af of de zorg zo erbarmelijk slecht geregeld is omdat de oudere, zieke mens nu eenmaal geen deel uitmaakt van de Tweede Kamer. Nou ja, we hebben natuurlijk Henk Krol. Die is wat ouder is maar weer niet ziek, eerder ziekelijk zo lijdend aan zijn schandaal-kwaal. Zou het slecht gesteld zijn met de zorg omdat de fitte jonkies denken dat het hun niet overkomt dat hun billen ooit door een onbekende in een verpleegsteruniform gewassen zullen worden. Voor degene die denken dat hun partner die taak wel op zich zal nemen, help ik hopen dat diezelfde partner tegen die tijd niet in een verpleeghuis vijftig kilometer verderop is opgenomen. Als de hoop op goede zorg voor wanneer de ouderdom toeslaat, is gevestigd op de kinderen dan vraag ik u hoe die hoop zich verhoudt tot de andere wensen die u heeft voor uw kinderen: een gelukkig huwelijk met een zwikkie kleinkinderen die allemaal onderhouden worden door een dubbele glanzende carrière en als het jonge spul tussen de bedrijvige bedrijven door ook nog iets van de wereld zal zien, is het helemaal prachtig, toch? Persoonlijk probeer ik intens van het moment te genieten wat me heel goed uitkomt want dan hoef ik ook niet aan mijn eigen ouderdom te denken. Het enige argument dat me vrijpleit van deze struisvogel-politiek is dat ik tenminste geen zitting heb in het landsbestuur.

Wel volg ik de ontwikkellingen in de Nederlandse zorg – althans voor zover het te volgen is – onder meer door de verhalen van mijn vriendin die in de zorg werkt. Over de apotheek die bij verwarde mevrouw X die haar deur niet wil opendoen, geen medicijnen kan afgeven en vriendelijk verzoekt of de thuiszorg dat even kan regelen. Daar staat mijn vriendin voor een deur die nog even potdicht zit, wetende dat meneer Y op haar wacht om vanuit zijn rolstoel door haar in bed gelegd te worden. Bij voorkeur wil meneer Y vroeg naar bed want zo rollend tussen keuken en vensterbank en weer geen bezoek, duren de dagen hem veel te lang.

Laatst was er een coach ingehuurd door haar zorgorganisatie om de spirit in het team een schop onder zijn kont te geven. De coach vroeg de teamleden hun mening te geven over allerlei hypothetische lastige werksituaties. Mijn vriendin stelde de coach de tegenvraag of in plaats van deze duizelingmakende hypotheses het team even kon genieten dat er die dag eens geen huilende collega aan tafel zat. Dat is namelijk wegens hoge werkdruk en naderende overspannenheid, meestal wel het geval. De coach ging snel over op een spel waarin elk teamlid zijn rol in het team kon uitbeelden in de cirkel die hij op de grond had geknutseld. Mijn vriendin op haar beurt vroeg aan de coach of ze het niet beter konden hebben over het benzinegeld want vanwege allerlei nieuwe computersystemen die oude data vervaagd hadden, leek dat er deze maand te bij in te schieten. De coach antwoordde dat mijn vriendin maar moest plaatsnemen in het midden van de cirkel. Mijn vriendin was blij dat ze geen ster is in hoofdrekenen anders had ze ter plekke het salaris van de coach gedeeld door het benzinegeld dat allen die zich in de cirkel bevonden, nog tegoed hadden. De cirkel had opeens veel weg van een gapend gat.

Ja die vriendin van mij dat is me er ėėn! Sterker nog zij is die ene die je in tijden van nood naast het bed van je ouder of wellicht ooit jezelf, wenst.

En er was sneeuw in de duisternis

Sommige mensen uit de categorie “Ik-Vertrek” vertonen de neiging nadat ze met betraande wangen afscheid hebben genomen van de achterblijvers, hartgrondig te mopperen op alles wat er mis is in Nederland (“altijd regen” en “elke dag in de file”) om daarmee – zo stel ik me psychologie-van-de-koude-gronderig voor – hun nieuwe vaderlandje op te hemelen (“altijd een stralende zon” en “zo lekker de ruimte hier”).

Ik neem aan dat ze dit doen in de hoop hiermee een self-fulfilling prophecy te creëren dat ze daadwerkelijk de juiste beslissing hebben genomen om hun baan op te zeggen tijdens een laagconjunctuur en hun vriendenkring achter te laten voor die ruimte waarin je waarschijnlijk zo weinig mensen tegenkomt dat je er nog een hele dobber aan hebt om ook maar een paar nieuwe vrienden te maken.

Persoonlijk zie ik weinig reden om op Nederland af te geven en wat betreft Zweden is het niet altijd rozengeur maar des winters wel heel veel maneschijn. Zoveel maneschijn dat toen ik onze kinderen eens rond een uurtje of drie van de naschoolse opvang ophaalde, eén kind verontwaardigd vroeg waarom hij niet op de hoogte was gesteld dat ik hen midden in de nacht zou komen halen. De Zweden hebben echter twee oplossingen voor die winterse donkerte: kilos’ kaarsen erdoor heen jagen en verder vooral hopen op een dik pak sneeuw. Inderdaad zorgt die sneeuw voor enige sjeu aan die duisternis als het maanlicht weerkaatst wordt op de glinsterend witte aarde, maar verder is sneeuw toch vooral een verschijnsel dat zo zijn eigen problematiek met zich brengt.

Zo probeerde ik eens een heuvel (groot woord, een lichte glooiing was het meer) op te rijden die bedekt was met sneeuw. Hoe de Eskimo’s die sneeuw genoemd zouden hebben als dat verhaal over hun 681 benamingen voor sneeuw klopt, maakt in dit verband niet uit want de sneeuw die daar lag, mocht werkelijk geen naam hebben. En als het beestje dan toch een naam moet hebben, kan ik er niet meer van maken dan “snot-sneeuw”. Enfin, de combinatie van lichte glooiing en snot-sneeuw leidde letterlijk en figuurlijk nergens toe want mijn auto gleed telkens terug naar wat begin- en eindpunt in eén bleek te zijn. Gelukkig werd ik volledig in beslag genomen met het bedenken van een oplossing zodat ik niet aan manlief die in een ver en heerlijk warm buitenland aan het werk was, hoefde te denken en kon ik net op tijd zwaaien toen ik de auto van mijn buurman in de verte zag opdoemen. Hij bleek niet zomaar een buurman te zijn maar ook nog eén die – zo deelde hij mee – was opgegroeid in Noord-Zweden en altijd elke auto uit de sneeuw kreeg. Dat ‘altijd’ en ‘elke’ klonk me iets te absoluut in mijn oren, maar als iemand zo aardig is om mij te helpen dan zet ik gewoon een glimlach op, knik vriendelijk en houd de aandrang om mijn ene wenkbrauw op te trekken, goed onder bedwang.

Om een lang verhaal kort te maken: de auto bleef koppig terugrollen, de buurman kreeg steeds meer de pest erin en probeerde zijn Vikingen-eer te redden met de snauwerige opmerking dat er vast nog zomerbanden onder onze auto zaten. Nu zijn er in Zweden twee belangrijke data: 21 juni wanneer Midzomer gevierd wordt en 1 oktober wanneer de winterbanden onder de auto mogen. Vooral die laatste datum staat in grote, rode letters, dik onderstreept en met een paar uitroeptekens in mijn agenda. Dit laatste is trouwens beeldend bedoeld want ook ik heb inmiddels de verschillende kleuren in mijn agenda vervangen door de piepjes van een iPhone.

Ik antwoordde de buurman met niet eén maar twéé opgetrokken wenkbrauwen die hij overigens vanwege het opstuivende sneeuw achter zijn optrekkende auto, niet gezien zal hebben.

Literaire lappendeken

‘Dit slaat echt nergens op!’, dacht ik een paar weken geleden toen ik me aanmeldde op de Amerikaanse website NaNoWriMo (National Novel Writing Month). De hele maand oktober had ik geen tijd gehad om binnen een paar minuten een account aan te maken op deze website en nu zou ik wel de maand november elke dag 1667 woorden gaan schrijven? Want als je dat ‘even’ zou doen dan had je eind november 50.000 woorden geschreven – een roman zeg maar – en zou je als prijs twee ingebonden exemplaren van je eigen verhaal winnen.

Lichtelijk hysterisch, een houding waar Amerikanen nu eenmaal een patent op lijken te hebben, werd ik op de website verwelkomd met de woorden “The world needs your novel”. Dat weet ik niet maar wat ik wel wist, is dat ik zelf nu weleens wil weten hoe het verhaal dat al jaren door mijn hoofd spookt, afloopt. Daarbij hadden in de tussentijd twee andere verhalen zich aangemeld in mijn hersenpan, dus begon het enigszins overvol te raken daar.

Ondertussen herinnerde manlief – toch allerminst een pessismistisch type – me er voorzichtig aan dat hij de helft van de maand overal behalve thuis zou zijn en dat minstens 2/3 van onze kinderen een dreigende hoest dan wel snottebel vertoonde. Hij was nog niet uitgesproken of ik had mijn schrijfplan al omgezet in een nader-verdiepend-onderzoek-en-interview-plan en dan zou ik januari echt (nee dan écht!) beginnen met het schrijfwerk. Maar dan had ik toch even buiten mijn Amerikaanse waard gerekend die inmiddels was begonnen mij te bombarderen met heuse pep talks. De eerste pep talk ging over hoe je eind oktober vooral bezig zal zijn met het bedenken van redenen waarom je nu beter niet kon beginnen met schrijven. De overige pep talks herinnerden me er aan waarom ik ook alweer wilde schrijven dus hup daar ging…of nou ja…daar zat ik en zat ik.

Geen idee waar de woorden opeens vandaan komen en vooral geen benul waar ze naartoe gaan, maar ze dienen zich elke dag braaf aan en komen op papier terecht (en in twee files, Dropbox en op een USB-stick). Belangrijkste les uit de pep talks was voor mij dat je je Inner Editor uit moet zetten. Dus niet kritisch terug lezen en willen verbeteren want dan red je die 50.000 woorden niet. Ná november, dán mag je zo lang je wilt herschrijven. En dat zal nodig zijn ook in mijn geval, want het uitschakelen van mijn Inner Editor zorgde ervoor dat mijn mannelijke hoofdpersoon in hoofdstuk 3 beroep X heeft en een hoofdstuk later beroep Y omdat ik dat toch beter vond passen. Verder is mijn tekst een gekleurde lappendeken aan de ik-vorm en 3e-persoons-vorm en lopen ook verleden tijd en tegenwoordige tijd volledig door elkaar heen.

Dit weekend zal ik de 50.000-woorden-grens overschrijden en binnenkort zullen er twee boekjes in mijn brievenbus liggen. Eén ding weet ik zeker: als ik mijn gedrukte verhaal zal lezen, zal ik regelmatig denken ‘dit slaat echt nergens op!’ Ik verheug me nu al.

Yoga-babe

We mogen wel van een klein wonder spreken dat ik weer met enige regelmaat op het yoga-matje te vinden ben. De laatste keer had een yoga-juf mij namelijk heel streng aangekeken toen mijn gezicht al vertrok bij het vanuit zitstand 20 graden naar voren buigen met mijn bovenlichaam. Het kan ook zijn dat ze juist mij aankeek omdat de rest van de (beginners!)groep met zijn neus tussen de benen op de grond zat.

Maar goed, ik verkeer nu eenmaal in een levensperiode dat ik af en toe zucht onder het juk van een verkeerde ademhaling dus daar ging ik. Daarbij komt dat zo’n yoga-klas de enige plek buitenshuis is waar je direct na binnenkomst heerlijk languit met je ogen dicht kan gaan liggen én de enige sport waarbij hevig puffen juist betekent dat je goed bezig bent. Een absolute win/win-situatie dus.

Nu is het mij bekend dat de bedoeling van yoga en wellicht van het leven in het algemeen, is dat je de wereld om je heen los moet laten. Maar dat wordt me bepaald niet makkelijk gemaakt door de yoga-babe naast me. Het hele rek-en-strek-repertoire kent ze uit haar hoofd want ze maakt alle bewegingen voordat de juf ook maar iets heeft gezegd en als er iets te kiezen valt, gaat ze altijd voor de zwaarste houding. En oh ja, had ik al gezegd dat ze 38 weken zwanger is? Ik hoor u denken ‘nu overdrijf je’, waarop ik alleen maar opmerk dat wat betreft de yoga-babe en mij er inderdaad iemand is die ietwat overdrijft…and it ain’t me.

Dus terwijl zij in een soort spagaat met haar neus in het matje gedrukt ligt, heb ik goed zicht – mijn neus is nog immer ver van de grond verwijderd – hoe zij haar bolle buik ergens tussen haar schouders en ellebogen verstopt. Dit alles helpt niet mee om in een Zen-toestand te geraken hetgeen geïllustreerd worden door vragen die door mijn hoofd spoken als “hoe zeg ik straks op de EHBO-post in het Zweeds ‘haar water is gebroken’ of ‘ik zag het hoofdje al’?”

Veel waarschijnlijker is echter dat de yoga-babe met drie puffen haar baby op deze wereld zet en zich vervolgens zal scharen onder die fijne categorie moeders die te pas maar vooral te onpas kirt “het was zo’n heerlijk energetisch genot, die bevalling”. Deze categorie moeders zegt ook vaak dingen als “na vier keer borstvoeding geven, was ik mijn zwangerschapskilo’s kwijt” en “Vlinder/Valentijn heeft zichzelf breuken geleerd toen zij/hij 3 jaar was.”

Hoewel ik tót haar uitgerekende datum geen oog meer dicht zal doen als zij naast me op het matje ligt te puffen, is het de yoga-babe van harte gegund. Tot dan fluister ik – uit respect voor mijn mede-vrouw – stilletjes “ik buig voor jou…namasté”.

Kinderen en (mijn) fobieën

Dat je als wijze ouder vooral níet je eigen fobieën aan je kind moet tonen, wordt algemeen bekend verondersteld. Dus – ik noem maar wat hoor – aviofobische ouders moeten altijd blijven glimlachen als een vliegtuig opstijgt …of landt …of een bocht maakt. Daarentegen moet je als invoelende ouder weer juist wèl meegaan in de fobie van je gebroed. En ja, elke ouder is het zat aan het eind van de dag, maar toch hup even op de knieën voor de krokodil onder het bed.

Vandaag zoom ik graag in op andersoortige fobieën waarvan ik het bestaan niet kende voordat het weeën-feest begon, de zogenaamde Kind-Gerelateerde fobieën. Als de Romeinen daar ook last van hadden gehad, waren deze vast de geschiedenis ingegaan als de Fobia Infansia.

In dit zeer gevarieerde assortiment hebben we daar bijvoorbeeld de Merkstif-voor-het-Grijpen-fobie. Een panische snoekduik kunt u mij zien maken als ik een merkstift los op tafel zie liggen, want wat een kind daarmee kan doen… Daarvan is een muurtekening op een strakke, witte muur nog maar één van mijn minste nachtmerries

Als vanzelf kom ik op de Rondslingerend-Paspoort-fobie. In dat paspoort kan een kind namelijk zomaar een miniscuul streepje zetten met die hierboven aangehaalde merkstift. En uit eigen ervaring (als strafrechtjurist, niet als moeder!) weet ik wat reizen met een bezoedeld paspoort oplevert. Blijft u vooral de ontspannen ouder maar ik geef het u wel mee: twee maanden gevangenisstraf.

Als u de Rennend-Kind-in-Parkeergarage-fobie niet kent, dan mag u zich in uw handjes knijpen en ben ik de laatste die u iets zal aanpraten. Wel raad ik u aan om te blijven werken aan uw sprint-techniek.

Tot slot, als uitsmijter de crème de la crème onder de fobieën, de Moeder aller Fobieën zeg maar: de Waar-is-Mijn-Kind-in-Winkelcentrum-fobie. Deze fobie heeft zich onlangs in ons gezin geconcretiseerd (en voor licht neurotische types zoals ik valt “acht maanden geleden” ook onder het begrip ‘onlangs’). Vanwege aanhoudende trillende handen als ik er ook nog maar aan denk, zal ik u een nadere toelichting op deze fobie schuldig moeten blijven.

Van alle (huizen)markten thuis

Meer dan me lief is heb ik momenteel te maken met huizenmakelaars. Drie stuks maar liefst in even zoveel landen en dus waan ik me nu een makelaar-expert. In die hoedanigheid kan ik u vertellen dat op de Engelse huizenmarkt een trend waarneembaar is die ik ook op andere terreinen in het Engelse leven ben tegengekomen: de Trend van de Gedetailleerdheid. Nu ben ik zelf ook weleens voor Pietje Precies uitgemaakt maar – believe me – de Engelsen die ik ben tegengekomen beat me by far!

Zo valt er te lezen in de brochure van het desbetreffende Engelse huis dat de sauna “fully equipped” is. Zelfs als je geen sauna-expert ben (wat ik overigens – in alle bescheidenheid – na twee jaar wonen in Zweden óók al ben) weet je dat de “volledige uitrusting” van een sauna bestaat uit een houten emmertje. Ook hecht de makelaar eraan op te merken dat op de eerste verdieping een overloop is “met deuren die naar 3 slaapkamers leiden”. Nu wil ik niet opscheppen over mijn vaders huis maar inderdaad wordt de overloop niet van de slaapkamers afgescheiden door een gordijn. En ik zie het al voor me dat iemand na het lezen van de vermelding dat er een shaver socket point in de badkamer aanwezig is, zegt “schat, we gaan over de vraagprijs heen want er is een Shaver Socket Point!”

Bottom line is dat deze crazy onbenulligheden in de verkoopbrochure een welkome afleiding zijn van het verdriet bij het zien van de foto’s die herinneringen naar boven brengen, die me meer dan lief zijn.